Welwel, ik ben content. Het deed me enorm hard denken aan de robotverhalen van Asimov, maar dan vele keren beter.
En OK, dat is geen eerlijke vergelijking want Asimov begon meer dan 80 jaar geleden aan zijn robotverhalen, en het is dus logisch dat ze niet meer van deze tijd zijn. Maar toch: het fantastische The Bicentennial Man en de R. Daneel Olivaw-verhalen zindert hier door, in het conflict tussen robot en mens en vrije wil en parallellen met slavernij.
Het hoofdpersonage is een SecBot, een androïde veiligheisrobot met biologische onderdelen. Hij noemt zichzelf Murderbot, en de toon wordt al meteen gezet in de eerste paragraaf:
I could have become a mass murderer after I hacked my governor module, but then I realized I could access the combined feed of entertainment channels carried on the company satellites. It had been well over 35,000 hours or so since then, with still not much murdering, but probably, I don't know, a little under 35,000 hours of movies, serials, books, plays, and music consumed. As a heartless killing machine, I was a terrible failure.
Het leven steekt hem tegen en hij kijkt vooral series — ik voelde al meteen een zekere band.
Gah. Dit is precies wat ik wou vermijden door alleen nog dingen te lezen die afgerond zijn: een boek dat wel interessant is, maar dat op een cliffhanger eindigt.
Om te beginnen: ik vermijd normaal gezien spoilers als de pest, en lees alleen maar een miniem stukje van de blurb of van non-spoiler-reviews om te beslissen of ik een boek zal lezen.
De eerste lijn van elke omschrijving van dit boek (“God is dead, his corpse hidden in the catacombs beneath Mordew.”) is een monumentale spoiler, in de zin dat die onthulling pas zeer ver in de tweede helft van het boek komt, en een hele reeks dingen van in het begin van het boek duidelijk maakt.
Tegelijkertijd is het ook geen spoiler, in de zin dat de auteur al met onze voeten speelt van op de allereerste pagina:
If, during the reading of Mordew, you find yourself confused by all the unfamiliar things, there is a glossary at the back.
Be careful. Some entries contain information unknown to the protagonist.
There is a school of thought that says that the reader and the hero of a story should only ever know the same things about the world. Others say that transparency in all things is essential, and no understanding in a book should be hidden or obscure, even if it the protagonist doesn't share it. Perhaps the ideal reader of Mordew is one who understands that they, like Nathan Treeves (its hero), are not possessed of all knowledge of all things at all times. They progress through life in a state of imperfect certainty and know that their curiosity will not always be satisfied immediately (if ever).
In any event, the glossary is available if you find yourself lost.
Dramatis personae
Mr Treeves
He was born from a stone weathered in the rain and ice of a winter perched on the Sea Wall. A fault in this stone was eased open by the freeze, and in the spring Treeves père wriggled out, salty and cold and weak. His strength was further wasted fending off frostbite and fish bite and death by drowning. He is now moribund and ineffectual, prey to lungworm infestation. He is Nathan Treeves's father.
Mrs Treeves
Down in the slums she is wife to Mr Treeves, mother to Nathan Treeves, servicer of all comers. A more ignoble thing it would be hard to imagine. Yet who are you to judge? Time will tell.
op zich
Er zijn oneindig veel parallelle werelden, en we kunnen mensen naar parallelle werelden sturen. Twee proviso's: de parallelle wereld mag niet té ver van de wereld verwijderd zijn, en de persoon die naar die parallelle wereld gestuurd wordt, mag niet meer leven in de wereld waar hij/zij naartoe gestuurd wordt.
In de praktijk betekent dat dat er 382 werelden bereikbaar zijn, en dat er normaal gezien veel verschillende mensen nodig zijn om naar die werelden te gaan, omdat de meeste mensen die in Aarde-0 leven, ook leven in de andere Aardes.
Ah ja: de wereld waar we het over hebben, is –vermoed ik– ergens in de toekomst, waar de zon dodelijk kan zijn en menden in de steden (of is er maar één stad over? geen idee) onder een bubbel leven. Geen Eloi en Morlocks, maar wel inwonder van Wiley City en Ashtown, de sloppenwijken rond de stad.
Wiley City is een moderne welvaartsstaat, Ashtown is sinds anderhalve generatie een soort fascistische staat met een ‘Keizer' aan het hoofd, die in elke wereld een min of meer erg schrikbewind voert.
Cara is iemand die in deze wereld aan de betere kant van Ashtown leeft, maar in de overgrote meerderheid van de andere realiteiten in Ashtown leeft, en bijgevolg in het overgrote deel van de realiteiten geen twintig wordt. Zij is dan ook behoorlijk waardevol omdat ze zeer veel werelden kan bezoeken: er zijn op 382 werelden maar 8 waar ze nog leeft.
Dat bezoeken, trouwens, is niet voor wilde nieuwe inzichten of vreemde nieuwe werelden: alleen bijna niet afwijkende werelden zijn bereikbaar, remember? Dus gaat het om maandelijkse redelijk doordeweekse bezoeken, om te kijken of er elders op andere plaatsen grondstoffen ontdekt zijn, of om te zien of die andere wereld net iets beter of slechter is en allerlei KPI's bij te houden.
Maar dat doet er eigenlijk niet zo heel veel toe: The Space Between Worlds is een zeer intiem verhaal, over Cara en hoe ze omgaat met haar situatie, over nature versus nurture, en over interpersoonlijke relaties over verschillende versies van die personen heen — niet in het minst met de Keizer van Ashtown, waar ze in verschillende realiteiten de concubine van is, en met haar handler Dell, waar ze stekeverliefd op is, maar waar het verschil in klasse (in deze wereld dan toch) onoverbrugbaar is.
Het gaat ook over liefde en klassen en privilege en trauma en mishandeling en misverstanden en liefde.
't Is een zeer aangeraden boek.
Wel, dat was raar. Dit boek is onmogelijk te begrijpen zonder het eerste gelezen te hebben. En zelf mét het eerste gelezen te hebben is het kantjeboord.
Het is een vervolg, maar voor 80% van de tijd weet het hoofdpersonage niet wat er in het eerste deel gebeurd is. Of beter, is er iets totaal anders gebeurd. Zoals in, hoofdpersonage twee bestáát gewoon niet meer.
Flashbacks (of zijn het wel flashbacks?) vertellen een totaal ander verhaal dan het eerste boek, met bijna maar niet helemaal dezelfde personages.
Op het einde wordt alles deels duidelijk en deels nog meer onduidelijk, en ik kijk enorm hard uit naar dat derde en laatste deel.
Oh, en misschien nog één zaak. Ja, in dit boek (en het vorige) zijn er vrouwelijke personages die op vrouwelijke personages verliefd worden. In dit boek zijn er op een bepaald moment zelfs –gasp!– mannen die kussen. Het is ongetwijfeld een teken van de tijd dat ik daar geen moment van wakker lag, of er zelfs maar een zaak van maakte tijdens het lezen.
In zoverre dat de hoofdpersonages van This is How You Lose the Time War een biologisch geslacht of gender hadden, ging het ook over twee vrouwen. En ook daar kon het mij gestolen worden. Twee mensen worden verliefd op elkaar, punt uit. Man, vrouw, geen van beide, allebei, mens, post-mens, androïde, who the fuck cares?
Wel, véél mensen blijkbaar, als ik reviews lees. “Gideon the Ninth is about lesbian necromancers in space. Obviously, it's perfect” is de titel van een review in Vox. “Lesbian Necromancers in Space Will Break Your Heart” is de titel van een review bij Gizmodo. Ben ik nu écht de enige die dat ondertussen ('t is 2021 hé jongens) even belachelijk vindt als wanneer men zou zeggen “Sneeuwwitje: hetero cis man kust hetero cis vrouw!'?
Het zou niet mogen werken. Horror maar dan grappig, en sciencefiction maar met magie, en tienermeisjes maar dan wel necromancers, en verliefdheid maar ook massamoord en mishandeling, en dat allemaal geschreven met een attitude en een taal die zó hard “nú” is dat ze binnen drie jaar hopeloos gedateerd zal zijn.
Maar het werkt wel.
Een wereld in de zeer verre toekomst en elders in het universum (denk WH40K van tijdsschaal) waar er een God-keizer is (tiens, denk WH40K maar dan met een iets meer lévende Keizer) en negen “huizen” die allemaal necromancie doen.
Na 10.000 jaar roept de Keizer van elk huis een necromancer en zijn/haar kampioen (“cavalier primary”) naar een gedelapideerd paleis, waar ze zeer misschien wel Lyctor kunnen worden, een soort onsterfelijke rechterhand van God.
Eens aangekomen, krijgen ze als enige instructie dat ze geen deuren die op slot zijn mogen open doen zonder toestemming. 't Is een soort wedstrijd dus, maar er zijn geen spelregels. En de eerste nacht dat ze er zijn, worden hun ruimteschepen allemaal in de afgrond gedumpt en hebben ze geen enkele mogelijkheid om wie dan ook te contacteren.
Wat van het verhaal een soort spookkasteelverhaal maakt, gemengd met Breakfast Club. Achtig.
Ik zeg het: het zou niet mogen werken, maar het werkt wel.
Twee fijne, getraumatiseerde hoofdpersonages, haat-liefdeverhouding: gefundenes Fressen voor de Tumblrgeneratie, en dat is te zien aan de letterlijke stapels fanart overal.
Ik vond het zeer onderhoudend: spannend, grappig, ontroerend. Ik kijk uit naar het vervolg.
Het had gekund. Het zat er ergens wel in. Het concept is niet vernieuwend maar heeft wel potentieel – persoon wordt tegen wil en dank onsterfelijk, met als catch dat niemand zich haar herinnert – maar helaas.
Iemand die 300 jaar leeft, daar geloof ik niet van dat die zich gedraagt zoals het hoofdpersonage hier doet. Ik voel geen verschil tussen 1714 en 1914 en uiteindelijk 2014. En de meest interessante periode, 1952-1968, waar het boek eígenlijk rond draait, waar immens veel gebeurt, wordt er in één nietszeggend hoofdstuk doorgehaspeld.
Het boek duurt ook veel te lang voor wat er maar in staat. En de love interest is een akelig ventje, vind ik, met een akelige entourage.
Nog één van die boeken die op mijn Kindle stonden en dat ik geen idee meer had waarom ik het er wanneer op had gezet.
Ik begon te lezen, en ik was op een paar korte hoofdstukken verkocht. Dit is, in essentie, een briefroman. Red komt van The Agency, een samenleving in de verre toekomst die hypertechnologisch is, Blue van the Garden, een soort biologisch groepsbewustzijn, ook in de verre toekomst.
Ze staan allebei voor een stuk buiten hun eigen maatschappij, want ze zijn agenten in een oorlog die zich in verschillende tijden in verschillende alternatieve realiteiten afspeelt. Hoe dat allemaal technologisch gebeurt, is minder van belang. Wat ze doen, is tussenkomen in allerlei gebeurtenissen, wellicht om er voor te proberen zorgen dat in die verre toekomst de enige “echte” realiteit hetzij die technologische, hetzij die biologische is.
Terwijl ze hun werk doen — een vulkaan op één van de vele Atlantissen in het multiversum doen uitbarsten, de juiste persoon vermoorden, een tempel vernietigen, iemand een leven lang gezelschap houden zodat zijn kleinzoon een bepaald soort karakter heeft waardoor die op een bepaald moment de juiste persoon op de juiste manier begeleidt — weten ze van elkaars bestaan af. Ze zijn elk aan hun kant de beste van in wat ze doen.
En op een dag beslist één van de twee een brief te schrijven naar de andere. “Brief” is meestal zeer onletterlijk te nemen trouwens: soms is de brief geschreven in de as van een brief, soms in een braakbal van een uil, soms geschreven in de groeiringen van een boom over een periode van honderd jaar.
Eerst om wat te plagen (ze omschrijven elkaars wereld als “techy-mechy dystopia” en “viney-hivey elfworld”), maar brief na brief groeit er Iets Schoons. Want ze hebben eigenlijk meer met elkaar gemeen dan met de maatschappijen waar ze vandaan komen.
En het is spannend, en er is verraad en liefde en een onvermijdelijk maar daarom niet minder schoon einde. En het is uitstekend geschreven, met elke auteur die één van de personages voor zich nam en dat de brieven ook telkens weer verrassingen voor elkaar waren, waardoor het ook nog eens een fijn verbaal en literair steekspel wordt.
Zeer, zéér hard aangeraden. Kreeg ook de Nebula in 2019 en de Hugo en 2020, dus 't is niet alleen ik die het goed vind.
Ik was enorm content van Susanna Clarke's eerste boek, en van zodra ik wist dat er een tweede was, heb ik het meteen op de Kindle gezet.
(Nee, ik heb The Ladies of Grace Adieu and Other Stories niet gelezen, en ik zal dat dan één dezer verhelpen.)
Piranesi is een raar boek. Wie een vervolg op Jonathan Strange & Mr. Norrell had verwacht, of zelfs maar iets in dezelfde wereld of hetzelfde tijdperk: neen dus.
Het boek begint in medias res, met een persoon die in vreemd aandoend Engels een dagboek bijhoudt:
ENTRY FOR THE FIRST DAY OF THE FIFTH MONTH IN THE YEAR THE ALBATROSS CAME TO THE SOUTH-WESTERN HALLS
When the Moon rose in the Third Northern Hall I went to the Ninth Vestibule to witness the joining of three Tides. This is something that happens only once every eight years.
The Ninth Vestibule is remarkable for the three great Staircases it contains. Its Walls are lined with marble Statues, hundreds upon hundreds of them, Tier upon Tier, rising into the distant heights.
I climbed up the Western Wall until I reached the Statue of a Woman carrying a Beehive, fifteen metres above the Pavement. The Woman is two or three times my own height and the Beehive is covered with marble Bees the size of my thumb. One Bee – this always gives me a slight sensation of queasiness – crawls over her left Eye.
Dag na dag, zonder veel context. Een mens die weet dat hij bijna alleen op de wereld is — in de plaats waar hij leeft is hem, en twee keer per week The Other, en verder 13 overleden mensen — maar zich noch eenzaam noch slecht voelt. Hij bevindt zich in een eindeloos soort paleis met enorme ruimte na enorme ruimte, vol met standbeelden. Er zijn getijden en seizoen, er is zeewier om te drogen en vuur mee te maken, er zijn vissen en schaaldieren om te eten.
Naar gelang het boek vordert, merkt het hoofdpersonage — dat geen naam heeft voor zichzelf maar door The Other spottend aangesproken wordt als Piranesi — dat er dingen niet kloppen.
Ik was meer dan onder de indruk van het boek. Het is spannend op een zen-achtige manier, en poëtisch op een zakelijke manier, en melancholisch maar niet sentimenteel, en het doet een mens nadenken. Zeer zeer goed.
Het moment dat ik het uitgelezen had, vond ik het bijzonder enorm zeer zeer goed. Met een dag afstand, ben ik wat gemengder.
Ik was ontroerd op het einde, en over het algemeen onder de indruk. Er waren ook wel momenten dat ik vond dat het allemaal wat sneller mocht gaan.
Van Reybrouck doet veel met oral history en interviews, wat bijzonder fijn is: talloze interviews met honderdjarigen, van Nederland over Indonisië tot Japan en zelfs in Nepal. Maar er waren ook wel momenten dat ik het gevoel had dat het enorm interessant moet geweest zijn voor de auteur zelf, maar dat ik de toegevoegde waarde niet echt zag (die mensen in Nepal, om maar iets te zeggen). En er waren ook momenten dat ik de indruk had dat die mensen wel heel hard op hun woord geloofd werden.
Een aantal dingen uit de weg op voorhand.
Het boek is extreem slecht geschreven. Akkoord, het is Hayes' eerste boek, maar dat mag geen excuus zijn. Integendeel! Een debuut zou met nog meer aandacht moeten gevolgd worden door een goede editor. Die zou bijvoorbeeld na de twintigste keer dat iemand of iets (inclusief de twee hoofdpersonages en zowat elk nevenpersonage) omschreven wordt als “de beste ter wereld”, “de mooiste die ik letterlijk al zag”, “de meest begaafde ooit”. Die zou er ook belachelijke zaken zoals een niet-bestaand ‘Turks Engels” dat meer Yoda dan iets anders is, uit gewipt hebben. Die zou ook nagekeken hebben of pakweg een “bekend Nederlands gezegde” wel degelijk écht een bekend Nederlands gezegde is (hint: neen, dat was het niet). Die zou ook gezegd hebben dat het géén goed idee is om letterlijk elk hoofdstuk — zelfs als het maar drie pagina's lang is — te eindigen met een dramatische voorbeschouwing in de zin van “Het was pas later dat ik zou beseffen dat ik een cruciale fout begaan had”.

Het verhaal gaat, ruwweg, over twee supermannen. De ene is een Amerikaan, die op jonge leeftijd zijn ouders verliest en geadopteerd wordt door (uiteraard!) miljardairs, en die dan na een korte omweg een blitscarrière maakt als James Bond maar dan indrukwekkender en na een paar jaar de baas van James Bond wordt maar dan nog veel indrukwekkender. En die op zijn 31ste op pensioen gaat nadat hij half de wereld heeft gezien en duizend dingen meegemaakt heeft. En die dan begot een boek schrijft waarmee mensen perfecte misdaden kunnen plannen.
De tweede superman is een Islamofascist, die zijn vader ziet geëxecuteerd worden wegens majesteitsschennis in Saoedi-Arabië en radikaliseert en naar Afghanistan trekt en een superheld-Mujahedin wordt en daarna dokter en superwetenschapper.
Haja, islamofascisme. Want het is vaak een nogal islamofoob boek, ja. OK, er is vanalles serieus mis in Saoedi-Arabië, maar dat wil niet zeggen dat ze daar allemaal “garbage wrapped in skin” zijn, bijvoorbeeld. Het boek is, vrees ik, vooral een kind van zijn tijd: post-9/11 paranoia.
Ergens diep in die honderden en honderden bladzijden, zit een goed verhaal. Mar Hayes is niet de schrijver om het te schrijven.
“Show, don't tell” is een uitstekende vuistregel. Tóón dat een personage intelligent/moedig/whatever is, zég niet dat hij enorm intelligent / fantastisch moedig / whatever is. Letterlijk de eerste helft van die boek (pakweg 300 van de 600 bladzijden) is een niet-aflatende stroom van flashback na flashback om te vertellen hoe fantastisch de superheld wel is.
Een paar toevalligheden, dat kan gebeuren. Maar toeval na toeval na toeval, dat is gewoon ongeloofwaardig. Op het einde van dit boek komt letterlijk elke anekdote uit al die tientallen flashbacks nét van pas — hetzij om een gevatte repliek te geven, hetzij om een huurmoordenaar te herintroduceren die we al 500 bladzijden vergeten waren, hetzij om een dokter te vinden die jaren na een mislukte actie van vijftien jaar geleden nog altijd in hetzelfde dorp loopt alcoholieker te zijn. Om nog niet te spreken van de knullige manier waarop de twee hoofonderzoekslijnen (naar een moord in New York en naar de islamofascist) toevállig naar precies hetzelfde dorp in Turkije leiden, dat ook al dezelfde locatie van een flashback was.
Zeer zeer frusterend boek.
Het einde was wel spannend, dat wel.
Het heeft wat voeten in de aarde gehad, maar ik heb Rhythm of War uiteindelijk uitgelezen. Voeten in de aarde, omdat ik begonnen was met het in audioboek te beluisteren, maar het was al zo lang geleden dat ik de vorige boeken gelezen had, dat ik geen flauw idee had wie wie was.

't Is te zeggen: ik had de vorige boeken gelezen, zoals in “met mijn ogen gelezen”, niet beluisterd. En het moet zijn dat ik de namen anders in mijn hoofd had zitten dan de meneer en de mevrouw die het boek voorlazen, of ik weet eigenlijk niet wat, want het lukte niet, in audioboek. Ik geraakte niet vooruit, met elke avond juist voor ik in slaap viel een kwartier te luisteren.
Overgestapt op Kindle en 't was direkt beter: na een paar hoofdstukken was ik weer helemaal mee, en op een paar avonden was ik er door.
Heel veel negatief commentaar op tinternet, zag ik achteraf. Boze mensen, over hoe saai het is en alles.
Ik ga niet zeggen dat het een slecht boek was. Maar ik durf ook niet te zeggen dat het een boek is dat zeer veel mensen uitstekend gaan vinden. Brandon Sanderson bouwt aan een verhaal dat bijna al zijn werk aan het omvatten is: alles speelt zich af in de Cosmere, waar quasi-goddelijke wezens (die behalve dat ze enorm machtig zijn toch nog altijd verrassend menselijk blijven van karakter en dergelijke) in verschillende zonnestelsels zitten op verschillende planeten, en waar er een soort allesomvattend systeem van magisch-achtige dinges is, dat in elk van die plaatsen zijn eigen systematiek heeft.
Het hangt allemaal in elkaar, en voor de (zeeeer) aandachtige lezer staat het vol met verwijzingen over en weer.
Daar knelt het wat, in Rhythm of War: Sanderson probeert te veel antwoorden te geven, en tegelijkertijd te veel allusies te doen naar dingen die alleen begrijpbaar zijn voor superfans en méér dan aandachtige lezers die alles gelezen hebben en/of op de hoogte gebleven zijn via bijvoorbeeld The Coppermind.
Ja, ik ben één van die mensen. En ja, voor mij was het allemaal redelijk duidelijk, eens ik er weer in was geraakt.
Een tweede probleem is dat het boek over en weer slingert tussen verschillende vertelstandpunten, en dat die helaas niet allemaal even interessant zijn. Zo is één personage, Venli, enorm interessant als het verhaal zich in het heden afspeelt, maar minder dan boeiend als het flashbacks zijn van acht jaar, zeven en een half, zeven jaar, etc. geleden. Doet een ander personage tot in de laatste paar hoofdstukken gewoon niets van belang, maar krijgt het wel om de zoveel tijd zijn eigen hoofdstuk waar niets in gebeurt. Is er nog een personage dat hoofdstuk na hoofdstuk wetenschappelijke experimenten omschrijft die vrees ik alleen maar boeiend zijn voor wie meer wil weten over het grotere beeld van de verschillende Cosmere-systemen.
Een mens krijgt het gevoel dat dit nooit zou gebeurd zijn in de eerste boeken van Stormlight Archive — daar zou een redacteur nog durven zeggen hebben dat veel van die verhalen verteld konden worden in één hoofdstuk in plaats van in tien of meer.
Het heeft er ook meer te maken, vrees ik, dat Sanderson zichzelf een redelijk vast carcan heeft opgelegd wat structuur betreft, over alle boeken boeken heen: elke titel van elke boek een verwijzing naar een echte tekst in het boek, elk boek een thema, elk boek een orde van Knights Radiant, elk boek een ongeveer gelijk aantal standpunten, elk boek één flashback-protagonist.
Maar hey, dit was boek 4 van de 10 in Stormlight Archive. Het volgende boek zal een einde zijn, om dan vele jaren later de draad opnieuw op te pakken in boek 6-10. Sanderson deed dat al eens met de Mistborn-boeken, waar het tweede deel van het verhaal zich zo'n 300 jaar na het eerste dele afspeelt. Ik ben bijzonder benieuwd te zien wat er zal gebeuren in Stormlight 5. Het laatste nieuws is dat dat voor 2023 zal zijn.
Met wat geluk is Winds of Winter tegen dan ook al uit. Alhoewel.
We zijn in 2140 en in New York er zijn ondertussen al twee grote wereldwijde vloedgolven geweest wegens poolijs op de boden van de oceaan dat te zwak was geworden om het poolijs erboven overeind te houden, waardoor het twee keer was alsof er een immense dam brak, en het water over de hele aarde een paar meter naar boven ging.
Er is een beetje technologische evolutie, vooral in materialen heb ik de indruk, want op een paar superhoge wolkenkrabbers na ziet alles er zeer vertrouwd uit. Behalve dat de zee 15 meter hoger komt, en dus New York een nieuw soort Venetië geworden is. De rest van de wereld? Geen idee, Kim Stanley Robinson spreekt er niet zo enorm veel over. Ik heb de indruk dat Londen achter een soort ingewikkeld polder-en-dijken-systeem zit, en ik herinner me dat Amsterdam gewoon een de wereld ronddrijvend eiland was geworden, maar dat zal het zo ongeveer zijn.
New Yorkers zijn dan ook mensen die (soms niet zonder goede reden) denken ze in de navel van de wereld wonen — deze cartoon wordt zelfs expliciet vermeld:
Zucht. Dit is zo'n boek waar ik me heb door moeten worstelen. Waar ik enorm hard heb getwijfeld om er ergens in het midden mee op te houden, wegens nog maar eens een hoofdstuk waar een totaal niet van de andere personages te onderscheiden personage een beetje rondloopt, iets doet dat niet veel nut of interesse heeft, en dan terugkeert.
Er is iets met twee gasten die ontvoerd worden, en iets met een politieagent, en iets met een man die op de beurs dingen doet, en iets met een super die de voorzitter van de Fed als ex heeft, en iets met een dame die graag al eens naakt het 22ste-eeuwse equivalent van natuurfilms op YouTube doet, vanuit haar zeppelin. En al die personages draaien rond de MetLife Building, één van de grote gebouwen die nog rechtstaan in de getijdenzone.
En als er ergens een punt te maken is, zorgt Robinson er wel voor dat het met een voorhamer duidelijk gemaakt wordt. Er is, godbetert, zelfs een pseudo-intellectualistisch ‘personage' dat om de zoveel hoofdstukken stream of consciousnessgewijs gewoon niet anders dan expositie doet. Eén eindeloze moraliserende monoloog, die ongetwijfeld ‘interessant' is en zo, maar die (zoals hij toegegeven zelf zegt) even goed overgeslagen kan worden. Irritant.
Het meandert en het meandert, en dan plots moet de auteur beseft hebben dat hij al aan 500 bladzijden zat, en dan plots springt het maanden (jaren?) naar voor, en zijn alle problemen opgelost en leeft iedereen (in New York toch) in peis en vree in een soort utopische toekomst met genationaliseerde banken en hoera iedereen content.
Geen zin om er nog meer tijd aan te spenderen dan dit.
De reviews zijn bijna unaniem lovend, maar ik vond het geen goed boek.
“We're not allowed to have nice things” was achter de schermen de mantra van de Clinton-verkiezingscampagne.
Ze was er in geslaagd om als minister van buitenlandse zaken twee derden van de Amerikanen in haar te doen geloven, en ze was erin geslaagd om binnen de Democratische partij alle concurrenten met enige naam achter zich te laten, en dan botste ze op Bernie Sanders. Die met zijn links populisme aansloeg bij zeer veel mensen, zich eigenlijk niet al te hard moest aantrekken van de haalbaarheid van zijn plannen, en in even zoveel woorden bleef hameren op de fundamentele ongeschiktheid van Hillary Clinton, wegens samenhokken met bankiers, wegens out of touch, wegens verpersoonlijking van establishment.
Elke keer dat ze ze dacht dat ze van Sanders af was, kwam hij terug. Tot op de democratische conventie, waar ze ei zo na uitgejouwd was. De mensen rond haar (Huma Abedin, Debbie Wasserman Schultz e tutti quanti) bleken meer problemen te veroorzaken dan op te lossen.
Ze was erin geslaagd om de zwarte stemmen die ze in 2008 verloren was, terug te winnen – maar ten koste van die van de blanke arbeiders.
Er was de zooi met haar e-mailserver: na een ellenlang onderzoek kondigt de FBI weliswaar aan dat ze niet gaan vervolgen, maar dat doen ze eerder met een toon van “we doen het niet, maar we zouden het heel graag wél doen, want wat Clinton deed was schandalig”.
Ze had de kandidaat tegenover haar die ze wou – maar toen bleek dat die helemaal niet zo gemakkelijk te verslaan was als ze gehoopt had.
Ze won meer dan overtuigend drie debatten met Trump. Normaal gezien – denk JFK/Nixon – is dat de doodsteek voor de tegenpartij, hier absoluut niet.
Op dezelfde dag dat de verenigde Amerikaanse intelligence community uitbrengt dat ze bewijs hebben dat Rusland de verkiezingen probeert te beïnvloeden en dat de “pussy grabbing”-opname van Trump uitkomt – twee zaken die elke andere campagne zouden gekelderd hebben – begint Wikileaks e-mails van haar campaign manager te lekken. En dat blijven ze doen, dag na dag, week na week.
Ze werkt zich dag en nacht uit, zelfs met een longontsteking – en als ze dan een appelflauwte krijgt, beschuldigt Trump haar van hersenschade en andere zware gezondheidsproblemen.
Ze was er in geslaagd om een grote meerderheid van de bevolking ervan te overtuigen dat Trump absoluut ongeschikt was als president – maar toch bleven de mensen zeggen dat ze ervoor zouden stemmen.
En dan, letterlijk in de paar dagen voor de verkiezingen, als alles er min of meer goed begon uit te zien, brengt de FBI het nieuws dat ze op de laptop van Anthony Weiner (man van haar beste vriendin, hij-van-de-sexting-en-de-crotch-shots) mails hadden gevonden die eventueel zouden kunnen te maken hebben met haar. Waardoor iedereen meteen de connectie legt tussen haar emailserver en wikileaks en sexting en Bill Clinton en biem!
We moeten daar eerlijk in zijn: zelfs met alle tegenslag, zonder de Russen/wikileaks en zonder die laatsteminuut interventie van Comey, spraken we vandaag van President Clinton. Het heeft trouwens nog maar een paar procent gescheeld voor het kiescollege, en ze heeft hoedanook vele miljoenen meer stemmen dan Trump gehaald.
Maar. Ja, het is waar dat er shenanigans waren, en dat er misogynie was, en dat de pers elk van haar muggen opblies terwijl de olifanten van Trump zó talrijk waren dat geen mens door de slurfen het beest zagen.
Dat neemt allemaal niet weg dat het wel degelijk Hillary Clinton's eigen schuld was. In Shattered spreken tientallen naaste medewerkers anoniem, en het beeld dat er uit komt, is redelijk schrijnend. Het kernpunt: na een volledig mensenleven dat hier naartoe gewerkt heeft, na acht jaar voorbereiding en twee jaar campagne, slaagde Clinton er niet in om zelfs voor zichzelf duidelijk te maken “waarom wil ik president worden? waar sta ik voor?”
Ze had op alle mogelijke vragen een duidelijk en onderbouwd antwoord, met een klare visie en realistische manier om er te geraken. Obama zei op een bepaald moment zonder enige overdrijving dat ze de best voorbereide persoon was die ooit campagne heeft gevoerd om president te worden, en niemand betwijfelt dat eigenlijk.
Maar big picture? Niets. Of toch niets dat ze kon communiceren aan het grote publiek: “omdat het gewoon niet eerlijk zou zijn als ik het niet zou worden”, of “Because it's her turn” (slogan die de campagne écht overwogen heeft), dat slaat niet zo aan als een simplistisch “make America great again” of “alleman tegen de 1%”. Zoals de auteur zei in een interview met Salon:
Look at Donald Trump: People knew what he stood for. He had his little slogan: “Make America great again.” If you talk to anyone on the street, they could basically tell you what he stood for ... When you saw Secretary Clinton's campaign — she had this big wall we talk about in her Brooklyn headquarters that said “Hillary is for ...” — and there were hundreds of Post-it notes all over the place, and it became “Hillary is for everything.” And when you're for everything, you're really for nothing.
analytics
Peter is een ex-alcoholieker die parochiepriester geworden is, ergens in Engeland. We zijn ergens in de niet-zo-verre toekomst, en een soort mega-coporatie, USIC, doet allerlei.
Onder meer ook het uitbaten van een kolonie (maar noem het geen kolonie, noem het een “gemeenschap”) op een verre planeet, “in partnerschap” met een intelligent ras.
Peter en zijn vrouw doen, met vermoedelijk veel andere kandidaten, mee aan een selectieprocedure om Christen missionarissen te worden op die planeet, Oasis. Peter is geselecteerd, zijn vrouw niet.
(De reis er naartoe is niet zwaar uitgelegd, maar het duurt niet lang, en er is een manier om e-mail-achtig in bijna-real-time te communiceren tussen Aarden en Oasis.)
Peter komt toe, en na een periode van acclimatiseren, gaat hij voor het eerst naar de dichtsbijzijndste stad van de aliens. Zijn teamgenoot deeld medicijnen uit, de inboorlingen (“Oasans”) geven er voedsel voor in de plaats, het wordt duidelijk dat Peter een priester is, en dan gebeurt dit:
The Oasan reached out one hand, and, with an unmistakably tender motion, stroked Peter's cheek with the tip of a glove. ‘We pray Jeสีuสี for your coming,' he said.
[...]
‘The book? You have the book?' the Oasan repeated.
‘Uh . . . not on me right now,' said Peter, chastising himself for leaving his Bible back at the base. ‘But yes, of course. Of course!'
The Oasan clapped his hands in a gesture of delight, or prayer, or both. ‘Comforรี่ and joy. Glad day. Come back สีoon, Peรี่er, oh very สีoon, สีooner than you can. Read for uสี the Book of สีรี่range New Thingสี, read and read and read unรี่il we underสีรี่and. In reward we give you . . . give you . . . ' The Oasan trembled with the effort of finding adequate words, then threw his hands wide, as if to indicate everything under the sun.
Sometimes, I feel as though your leaving caused things to fall apart.
vermoed
literatuur
Wie The Room nog niet gezien heeft: meteen doen. Het is een ervaring met meer dan veel Ed Wood-allures: een barslecht scenario (geschreven door Tommy Wiseau), geproduced door een producer die niet weet wat hij doet (Tommy Wiseau), met een hoofdacteur zonder aantoonbaar talent (Tommy Wiseau).
Niemand weet precies wie Tommy Wiseau is (is hij Pools? misschien), hoe oud hij is (hij zegt in de twintig, misschien is het in de zestig), waar zijn vele miljoenen vandaan komen (shady klerenverkoop? real estate?), en vooral: waarom hij dit allemaal doet. De film heeft miljoenen dollars gekost, hij heeft stapels gespendeerd aan promotie, en het is echt objectief uiterst slecht.
En dan dit boek lezen, en de film opnieuw bekijken met andere ogen.
Sestero is hoofdpersonage twee in de film, en al jaren Wiseau's “beste vriend”, wat dat ook moge betekenen. Hij schrijft door elkaar twee verhalen in The Disaster Artist: zijn leven tot en met The Room en het verfilmen van The Room zelf. Naar het einde van het boek komt daar een derde verhaal tussen: het leven van Tommy Wiseau, voor zover Greg het naar beste oordeel en vermogen kan reconstrueren.
The Disaster Artist leest vreemd: het voelt aan als een niet-professioneel boek, als dat iets betekent. Het is duidelijk dat Sestero geen schrijver is, en ik weet niet in hoeverre co-schrijver Tom Bissell de pen zwaar vastrgehouden heeft, maar het klinkt alsof het één lang interview is. Het had gemakkelijk geweest om het allemaal in het belachelijke te trekken; dat is niet gebeurd.
Wiseau is een tiran, jazeker, en een charlatan en een controlefreak, maar tegelijk is er ook een meer dan een beetje onderhuids vreemde asexuele mancrush tussen hem en Greg Sestero. En is het duidelijk wat voor een gebroken en kwetsbaar persoon er onder het personage zit.
https://www.youtube.com/watch?v=EE6RQ8rC8hc
Ik ga dringend nog eens The Room moeten bekijken.
Interesant om lezen, zeer zeker dat. De historische klank- en vormleer van het Nederlands, met eerst eene heel hoofdstuk over het Gotisch, wegens dat eht Gotisch nog zeer dicht bij het Gemeengermaans staat.
Ik heb veel bijgeleerd, maar op hier en daar een detail na, ben ik het ondertussen al allemaal vergeten.
En ik moet er niet aan denken wat het zou zijn om over deze leerstof een examen te moeten afleggen. Brrr.
Wél spijtig: het aller-allerlaatste dat besproken wordt,zijn de telwoorden. Er zou zich een oud twaalftallig stelsel kunnen weerspiegelen, zegt onze vriend Cor:
Zo betekenen elf en twaalf oorspronkelijk ‘één overblijvend' en ‘twee overblijvend' (got. aín-lif, twa-lif, met lif dat verband houdt met bileiban, ndl. blijven). En zo zijn de telwoorden voor ‘twintig' t/m ‘zestig' in het Got. gevormd met *tigus ‘tiental' (twái tigjus enz.) maar die voor ‘zeventig' enz. met tehund (70 = sibuntehund). Laatstgenoemde reeks wordt in het Osa. gevormd met een soort prefix ant-(ontstaan uit hund in de betekenis ‘tien'), waarvan we nog resten in het Ndl. terugvinden, in de t- van tachtig (in het Mnl. ook nog wel tseventich en tnegentich)
Voor de afzonderlijke telwoorden zie de etymologische woordenboeken of Van Loey 1970.
Na wat zware kost dacht ik: tijd voor iets licht verteerbaars. En jawel: bijzonder licht verteerbaar, deze veredelde stationsroman.
Snel: als er zou moeten gevliegtuigcrashet worden in de bergen, en ge zijt met twee en één persoon heeft een zware beenbreuk, wat voor soort mens zou die andere moeten zijn om een beetje kans te maken op overleven? Als ge hadt gezegd “een dokter met specialisatie orthopedie en spoedgeneeskunde, die net terugkeert van een expeditie bergbeklimmen en dus al zijn overlevingsmateriaal nog bij zich heeft, en die een volleerde Eagle Scout was en recordhoudende sportman”, dan hadt ge goed geraden.
Ben Payne is namelijk dat alles, en hij weigert beeldschone taekwondo-één en al spieren-machtig getalenteerde schrijfster-met-enorm-gevoel-voor-humor Ashley Knox achter te laten.
Payne spreekt voortdurend met zijn vrouw (hij heeft een dictafoon mee, dat is persoonlijker dan voicemail of e-mail, zegt hij), en Knox moest eigenlijk de dag na de crash trouwen met haar überknappe-bijzonder-slimme-enorm-rijke verloofde, maar WAT GRAADT GIJ? ze beginnen gevoelens te hebben voor malkander.
Niet op een voorspelbare manier (‘t is altijd dat), maar de MORANTIEK spat wel van de pagina's. “Oeioei, dat zou wat geven als ze dat verfilmen”, was mijn gedacht de hele tijd en WAT GRAADT GIJ? het zal binnenkort een film zijn met Idris Elba en Kate Winslett.
Ge moet er u allemaal niet te veel van voorstellen, maar het is wel een zeer snel gelezen fijn tussendoortje. En ook wel een beetje spannend, een beetje, soms.
Geen flauw idee hoe ik op dit boek uitgekomen ben, nee.
In een notendop: 1400 bladzijden, zonder paragrafen. Geschreven door een Amerikaan, als de autobiografie van een half-Duitse, half-Franse nazi. Die verliefd is op zijn tweelingzus, een kleine maar belangrijke rol had in de Einsatzgruppen en later in het beheer van de concentratiekampen, en die ergens in de tweede helft van het boek zijn moeder en pleegvader vermoordt, en dan achternagezeten wordt door twee politieagenten.
Niet dat het ook maar één moment een politieroman of zo is. Jonathan Littell kreeg er in 2006 tegelijk de Nobelprijs en de Oscar van de Franse literatuur voor: zowel de Grand Prix du roman de l'Académie française als de Prix Goncourt. En dat is het boek wel, literatuur.
De titel verwijst naar de Erinyen, de Griekse wraakgodinnen die het vooral hadden voor oudermoordenaars. Bij nader inzien blijkt het hele boek parallel te lopen aan de Oresteia, met Maximilien Aue als Orestes, een afwezige en wellicht oorlogsmisdadige vader als Agamemnon, de moeder die hier eigenlijk niets misdeed als Clytaemnestra, Thomas Hauser als Pylades, en zelfs een kort optreden voor een Helena (van Troje).
Aue heeft, Zelig- of Forrest Gump-gewijs, verdacht veel cruciale punten van de oorlog meegemaakt: de einsatzgruppen in Oekraïne en de Caucasus (incluis Babi Yar), Stalingrad, bezet Frankrijk, een stafpositie rechtstreeks onder Himmler, werkbezoeken in verschillende concetratiekampen (onder meer Auschwitz, jawel), de verbanning van de Joden uit Hongarije, de bezetting van Pommeren door het Rode Leger, de val van Berlijn, en zelfs één van de laatste dagen van Hitler in de Führerbunker.
Meesterlijk, denk ik, is wel een redelijke manier om het boek te omschrijven. Bijzonder goed gedocumenteerd, enorm ambitieus, niet voor de hand liggend, maar tegelijkertijd uiterst leesbaar. Natuurlijk is het bij momenten totaal onrealistisch – alleen al dat Aue op al die plaatsen in de oorlog geweest is, is weinig plausibel – en akkoord dat geen mens ter wereld spreekt zoals de personages in het boek, maar dat hoort erbij. Het zijn de memoires van een bijzonder onbetrouwbare verteller, en het is zeer bewust literair Frans.
Dat geeft dan bijvoorbeeld een dialoog tussen een Russische vroeger belangrijke maar wegens redenen gedemoveerde revolutionair, waar het over de merites van nationaal-socialisme versus communisme gaat. Met aan de ene kant Aue en aan de andere kant een man die al gemarteld was en na het gesprek zal geëxecuteerd worden, maar wat geen van beide tegenhoudt om ellenlange monologen af te steken en elkaar op het scherp van de intellectuele snee te bevechten. De communist beweert bijvoorbeeld dat de nazi's alles gestolen hebben van de communisten:
Là où le Communisme vise une société sans classes, vous prêchez la Volksgemeinschaft, ce qui est au fond strictement la même chose, réduit à vos frontières. Là où Marx voyait le prolétaire comme le porteur de la vérité, vous avez décidé que la soi- disant race allemande est une race prolétaire, incarnation du Bien et de la moralité ; en conséquence, à la lutte des classes, vous avez substitué la guerre prolétarienne allemande contre les États capitalistes. En économie aussi vos idées ne sont que des déformations de nos valeurs. Je connais bien votre économie politique, car avant la guerre je traduisais pour le Parti des articles de vos journaux spécialisés. Là où Marx a posé une théorie de la valeur fondée sur le travail, votre Hitler déclare : Notre mark allemand, qui n'est pas soutenu par l'or, vaut plus que l'or. Cette phrase un peu obscure a été commentée par le bras droit de Goebbels, Dietrich, qui expliquait que le national-socialisme avait compris que la meilleure fondation d'une devise est la confiance dans les forces productives de la Nation et en la direction de l'État. Le résultat, c'est que l'argent, pour vous, est devenu un fétiche qui représente le pouvoir producteur de votre pays, donc une aberration totale. Vos relations avec vos grands capitalistes sont grossièrement hypocrites, surtout depuis les réformes du ministre Speer : vos responsables continuent à prôner la libre entreprise, mais vos industries sont toutes soumises à un plan et leurs profits sont limités à 6 %, l'État s'appropriant le reste en sus de la production.
Le problème n'est pas le peuple : ce sont vos dirigeants. Le Communisme est un masque plaqué sur le visage inchangé de la Russie. Votre Staline est un tsar, votre Politbüro des boyards ou des nobles avides et égoïstes, vos cadres du Parti les mêmes tchinovniki que ceux de Pierre ou de Nicolas. C'est le même autocratisme russe, la même insécurité permanente, la même paranoïa de l'étranger, la même incapacité fondamentale de gouverner correctement, la même substitution de la terreur au consensus commun, et donc au vrai pouvoir, la même corruption effrénée, sous d'autres formes, la même incompétence, la même ivrognerie. Lisez la correspondance de Kourbsky et Ivan, lisez Karamzine, lisez Custine. La donnée centrale de votre histoire n'a jamais été modifiée : l'humiliation, de père en fils. Depuis le début, mais surtout depuis les Mongols, tout vous humilie, et toute la politique de vos gouvernants consiste non pas à corriger cette humiliation et ses causes, mais à la cacher au reste du monde. Le Pétersbourg de Pierre n'est rien qu'un autre village à la Potemkine : ce n'est pas une fenêtre ouverte sur l'Europe, mais un décor de théâtre monté pour masquer à l'Occident toute la misère et la crasse sans fin qui s'étalent derrière. Or on ne peut humilier que les humiliables ; et à leur tour, il n'y a que les humiliés qui humilient. Les humiliés de 1917, de Staline au moujik, ne font depuis qu'infliger à d'autres leur peur et leur humiliation.
In het kort:
Journalist volgt Trump al dertig jaar.
Journalist schrijft boek over Trump.
Lezer wordt depressief van boek.
The end.
Nee echt: om zeer, zeer depressief van te worden. Alles in dit boek is natrekbaar juist, met stapels bronnen erbij. En als zelfs maar een tiende waar zou zijn, zou deze man nooit maar in de buurt van het presidentschap mogen gekomen zijn.
Maar hey. Eén dezer zijn er tussentijdse verkiezingen in de VS, en dan is het gegarandeerd gedaan met Trump. Als het al niet vroeger gebeurt.
Ik lees al graag eens over alternatieve geschiedenissen en tijdreizen. Daarom waarschijnlijk dat dit op mijn lijstje te lezen boeken stond. Ik weet niet meer precies hoe of wanneer het er op gekomen was, maar de toevalligheden van de zaken hadden ervoor gezorgd dat dit het volgende boek in de rij werd.
Het begint veelbelovend, meer als een kortverhaal dan iets anders, met tijdreizigers die voor zover ik begreep voor de leute gingen kijken hoe de ramp met de Hindenburg eigenlijk gebeurd was. (Niet dat we dat ondertussen niet redelijk goed weten, maar alla.)
En dan gebeurt die ramp niet. Ahem. Probleempje. Bij het terugkeren naar hun tijd, blijkt dat de Tweede Wereldoorlog niet is gebeurd zoals hij in onze tijdslijn gebeurd is. Volgen: nog wat reizen door de tijd, histories met mysterieuze “engelen” die interventies doen, veel in-jokes voor sciencefictionlezer (of eerder -schrijvers, denk ik eigenlijk), een hele reeks dingen te onwaarschijnlijk voor woorden, en uiteindelijk neen, niet echt een goed boek.
Wel onderhoudend en snel gelezen, en er zijn ongetwijfeld een paar degelijke aflevering van iets als Sliders uit te halen, of een hele reeks tienerboeken. Maar een beetje te mager om goed te zijn.
In het vierde leerjeer ontdekte ik tegelijk Edgar Allan Poe (nachtmerries, jaren lang, ik moet het u niet vertellen), de Vliegende Hollander en een dik boek met vlaamse volksvertellingen. In het vijfde en zesde leerjaar las ik alles wat er van Gustav Schwab en Onno Damsté te vinden was, en kon geen mens mij verslaan in nutteloze kennis van Griekse en Romeinse mythen en sagen. In het zesde leerjaar won ik de verkleedwedstrijd voor karnaval op school (ik was een zigeunerin, don't ask), en mocht ik als prijs een boek kiezen. Ik koos, in dezelfde reeks als Schwab's vertaalde magnum opus, een boek over Egyptische mythen en sagen.
Het heeft geduurd tot het eerste middelbaar dat ik de Germaanse kant van de zaken ontdekte, in een dik boek op zakformaat met zeer dun papier. De naam ben ik vergeten, maar het was iets in de zin van “encyclopedie van de wereldmythologie” – tienduizenden lemma's, een korte omschrijving per god of figuur.
Ik zat in de studie op school en elk excuus om niet te studeren was goed, dus maakte ik – Hesiodus achterna – stambomen van mythologische systemen. Griekenland en Rome, dat lukte redelijk. Egypte was gemakkelijk. Maar dan kwam ik bij Odin en de zijnen terecht. Ik had geen overzicht gelezen zoals voor Griekenland/Rome of Egypte, en ik was verloren.
Ik dus op zoek naar meer, en gevonden in de bibliotheek. Geen idee meer wat het boek was en van wie, maar wat er wél bleef hangen, was dat het zó een totaal anders aanvoelende wereld was. De goden zijn niet zo onbereikbaar vreemd als Egyptische goden, niet zo verheven onbereikbaar als de Grieken in de boeken van Damsté en Schwab (ik had geen andere versies gelezen toen), maar veel menselijker. Thor is niet de slimste ter wereld (understatement). Loki is grappig maar ook zoals de schorpioen die niet anders kan dan slecht zijn. Odin lijkt verschillende personen te zijn in zijn verschillende vermommingen.
En dan zijn er de rare dingen: Heimdall met negen moeders, Loki die een merrie wordt en zqanger raakt, Loki's kinderen de wereldslang Jormungandr, de Fenriswolf en Hel, met één gezonde en één rottende kant.
En van het hele begin af hangt voortdurend het einde boven het hoofd van alles. Ragnarok komt, in de toekomst. Odin zal opgegeten worden door Fenrir, Thor verslaat Jormungandr maar valt zelf dood, Freyr en Surtr doen elkaar dood, de zon dooft uit, de aarde wordt verzwolgen door de zee, de sterren verdwijnen alles staat in brand.
Maar niet alles en iedereen is dood. Er zijn twee mensen overgebleven, en er zijn nog een paar goden, en de hele wereld begint opnieuw.
Ik weet niet meer welk boek ik in 1982 vond in de bibliotheek. Ik heb sindsdien wel meer gelezen. Ergens in de bibliotheek staat een versie van Snorri Sturluson's verzameld werk, en Noorse mythologie komt hier en daar terug in allerlei. Niet in het minst in Neil Gaiman's Sandman en vooral American Gods, waar Odin en Loki (en Baldr, shh) hoofdrollen spelen.
De originele teksten zijn ondertussen allemaal online te vinden, maar wie een inleiding Noorse mythologie wil, moet niet verder kijken dan Neil Gaiman's Norse Mythology.
Het begint zo:
Before the beginning there was nothing—no earth, no heavens, no stars, no sky: only the mist world, formless and shapeless, and the fire world, always burning.
To the north was Niflheim, the dark world. Here eleven poisonous rivers cut through the mist, each springing from the same well at the center of it all, the roaring maelstrom called Hvergelmir. Niflheim was colder than cold, and the murky mist that cloaked everything hung heavily. The skies were hidden by mist and the ground was clouded by the chilly fog.
To the south was Muspell. Muspell was fire. Everything there glowed and burned. Muspell was light where Niflheim was gray, molten lava where the mist world was frozen. The land was aflame with the roaring heat of a blacksmith's fire; there was no solid earth, no sky. Nothing but sparks and spurting heat, molten rocks and burning embers.
In Muspell, at the edge of the flame, where the mist burns into light, where the land ends, stood Surtr, who existed before the gods. He stands there now. He holds a flaming sword, and the bubbling lava and the freezing mist are as one to him.
It is said that at Ragnarok, which is the end of the world, and only then, Surtr will leave his station. He will go forth from Muspell with his flaming sword and burn the world with fire, and one by one the gods will fall before him.
Het einde van het verhaal, en terwijl ik het aan lezen was, dacht ik meer dan eens hoe toepasselijk het einde wel was.
Helemaal in het begin van het boek wordt Olaf (voor het eerst, trouwens) meteen doorzien. Ze komen terecht op een eiland waar een soort welwillende dictator geen dictator is maar enkel ‘vriendelijke suggesties' heeft, die dan best wel gevolgd worden. Hij verbant zowat alles dat interessant of stimulerend zou kunnen zijn naar een andere kant van het eiland, en voor de rest leven de mensen een saai leven, met allemaal dezelfde gewaden, en elke dag hetzelfde saaie eten.
De kinderen vinden op het eiland, in het taboe-deel, een lange geschiedenis van het eiland, met de titel A Series of Unfortunate Events, geschreven door een opeenvolging van personages die wel al dan niet tegenkwamen — hun ouders, onder meer.
En alles wordt duidelijk. En er is een einde dat een einde is maar niet echt. En het is schoon. Ik vond het laatste boek het beste van de reeks.
Kit Snicket is zwanger en voert de Baudelaires naar Hotel Denouement, waar ze concierge worden, en er twee manager zijn, de tweelingbroers Frank en Ernest — de ene een goeie, de andere een slechte. De suikerpot komt te sprake, en eigenlijk alles van de voorgaande 11 boeken: Olaf en Esmé zijn er natuurlijk, en Carmelita Spats die ondertussen hun minofmeer adoptieve dochter is geworden, en Sir en Charles uit The Miserable Mill zijn er, en Nero en een aantal leraars uit Austere Academy en Hal van Hostile Hospital en Justice Strauss uit Bad Beginning en Jerome Squalor uit Ersatz Elevator en Mr. Poe, en shenanigans, uiteindelijk komt het tot een rechtszaak. Waar twee van de drie opperrechters blijken slechteriken te zijn, en de enige manier om iedereen te redden van vergiftiging door die Medusoid Mycelium van vorig boek is het hotel afbranden. Waarna de Baudelaires en Count Olaf zich terugvinden in een boot op de zee, wegdrijvend van de wereld.